Het schiereiland Sant’Antioco ligt ten zuidwesten van Sardinië. Groene heuvels, helderblauwe wateren en goudgele stranden kenmerken het eiland. Een stukje paradijs in de Middellandse Zee – nog niet ontdekt door de grote massa.
Mijn reis begint vanuit Cagliari, de hoofdstad van Sardinië. Sant’Antioco is met de auto in ongeveer anderhalf uur te bereiken via de nieuwe snelweg SS130 – dwars door het binnenland van Sardinië. Om meer van het eiland te zien kies ik voor de lange route via de SS129. Een reis van zeker tweeëneenhalf uur. De weg gaat eerst een stuk langs de kust en vervolgens de bergen in. Zodra je Cagliari uitrijdt kan je genieten van de rijke fauna van Sardinië. Rechts van de weg staan roze flamingo’s bijeen in een grote plas. Links van de weg kabbelen de golven van de zee tegen de kust. Al snel maakt het blauw van zee plaats voor een groen landschap. Olijfbomen, wijnranken, artisjokken, cactussen, oleanders, pijnbomen en weiden met Sardijnse schapen omringen de tweebaansweg. De weg buigt af van de zee en gaat de bergen in. Een langzaam omhoogklimmende route van ongeveer twintig kilometer. Er is weinig verkeer. Een enkele eilandbewoner scheurt met getoeter voorbij in onoverzichtelijke haarspeldbochten. Ik hou mijn hart vast. Een beetje misselijk van de bochten stop ik op een veilige plek om even bij te komen. Vanaf het plateau is het uitzicht adembenemend. Een schakering van groen steekt fel af tegen de heldere hemel. De geur van mirte- en jeneverstruiken vult de lucht. Het is doodstil, alleen het gesjirp van sprinkhanen en een enkele vogel hoor je. De frisse lucht doet me goed. Het laatste deel van de route verloopt rustig en bergafwaarts. Opnieuw duikt de zee aan de horizon op, Sant’Antioco is in zicht.
Sant’Antioco is verbonden met Sardinië via een kunstmatige landengte en een brug. Een deel van de oorspronkelijke Romeinse brugverbinding is nog te zien bij binnenkomst. Het eiland kent een lange geschiedenis. De eerste vestigingen stammen uit drieduizend jaar voor Christus. Net als op Sardinië zijn er op Sant’Antioco overblijfselen te vinden van de typische prehistorische nuraghi. Oude vestigingen van opgestapelde stenen die dienden om ongezien de vruchtbare en rijke grond in de gaten te houden. De Feniciers legden de basis van het huidige stadscentrum dat ze Sulky (Sulki, Solci of Sulcis) noemden. Deze naam kom je nog steeds tegen op het eiland. De stad bloeide vanwege de gunstige ligging in de Golf van Palmas uit tot een strategisch en commercieel centrum. Met de val van het Romeinse rijk raakte het eiland in verval en drongen vandalen binnen die zich aangetrokken voelden door de rijkdom van de zee en het land.
Lees het hele artikel in de nieuwe editie van La Cucina Italiana.
Tekst & fotografie: Martina Cisci


Hallo Martine,
mooi artikel, leuk dat er aandacht is voor Sant’Antioco. Ik woon er alweer 5 jaar en kom er al 20 jaar, ik vind het nog steeds een betoverdende plek!
Met zonnige groet vanuit Sant’Antioco
Monique van proosdij